Spelregels

De doelworp en de intrap

Door JöRN TE KLOEZE, lid Landelijke Spelregel Commissie COVS


In deze aflevering een stukje over spelregels uit het zaalvoetbal. Het gaat over de doelworp en de intrap. In het zaalvoetbal kennen wij in tegenstelling tot het veldvoetbal een doelworp i.p.v. een doelschop.

De doelworp

De doelworp wordt gegeven als de bal geheel en al over de doellijn is gegaan en het laatst is aangeraakt door een speler van het aanvallende team (dit natuurlijk niet in het doel). De doelworp moet door de doelverdediger genomen worden van binnen het eigen strafschopgebied. De tegenstanders moeten zich buiten het gebied bevinden (overnemen als zij de bal raken of de doelverdediger hinderen, eventueel een waarschuwing door het tonen van de gele kaart) en de bal is pas in het spel als deze rechtstreeks buiten het strafschopgebied is geworpen. De bal mag dus niet uit de handen geschoten worden.

De doelverdediger heeft vier seconden de tijd om de bal op een juiste wijze in het spel te brengen. Deze vier seconden gaan in als hij de bal in zijn bezit heeft en in zijn eigen strafschopgebied staat. De scheidsrechter dient te tellen, duidelijk zichtbaar en boven zijn hoofd. Indien de doelverdediger de bal niet binnen de vier seconden in het spel heeft gebracht, volgt er een indirecte vrije schop voor de tegenstander. Deze vrije schop dient genomen te worden op de lijn van het strafschopgebied (6-meterlijn) zo dicht mogelijk bij de plaats waar de doelverdediger stond.


Als de doelverdediger binnen de vier seconden niet op een reglementaire wijze in het spel heeft gebracht (bijvoorbeeld door mijn zijn handen buiten het strafschopgebied te komen), dan moet de doelworp worden overgenomen en dient de scheidsrechter verder te gaan met tellen waar hij gebleven was toen hij de doelworp liet overnemen.

De doelverdediger mag de bal pas weer spelen (zowel met armen als benen), als de bal door een tegenstander is aangeraakt. Gebeurt dit echter niet dan volgt er een directe (hands) of indirecte vrije schop (wegens tweemaal spelen van de bal) voor de tegenstander.


Anders is het natuurlijk als hij de bal tijdens het spel vangt, dit is geen spelhervatting. Het spel was immers niet onderbroken. Hij heeft ook nu de bal maximaal vier seconden in zijn bezit (ook hier dient de scheidsrechter duidelijk zichtbaar te tellen). Nu mag hij de bal wel uit zijn handen schieten of voor zich uit rollen en hem met de voeten meenemen.

Net als bij het veldvoetbal kan een doelverdediger niet rechtstreeks in het doel van de tegenstander gooien, doet hij dit wel, volgt er een doelworp voor tegenstander.


De intrap

De intrap is een spelhervatting als de bal geheel en al over de zijlijn is gegaan of indien de bal het plafond of de spanten raakt. De intrap wordt toegekend aan het andere team van de speler die de bal het laatst raakte of speelde.

De intrap dient genomen te worden op de plaats waar de bal over de zijlijn ging of op de plaats zo dicht mogelijk bij de plek waar de bal het plafond of de spanten raakte. De bal moet stil liggen op of maximaal 25 cm achter de lijn. De nemer moet met één voet op de zijlijn (met een deel van de voet de lijn raken is voldoende) of op de grond buiten de zijlijn staan.


Tegenstanders moeten zich op minimaal vijf meter afstand binnen het speelveld bevinden bij het nemen van de intrap. Als een tegenstander dichterbij staat dient de intrap te worden over genomen en krijgt de te dichtstbij staande speler een waarschuwing door het tonen van de gele kaart.

Als een intrap niet op de juiste wijze wordt uitgevoerd (ook als hij niet binnen het speelveld wordt getrapt), gaat de intrap naar het andere team en er mag geen voordeelregel worden toegepast.

Uit een intrap kan niet rechtstreeks gescoord worden, gaat de bal rechtstreeks in het voel van de tegenstander dan volgt een doelworp en in het eigen doel een hoekschop.

Als een speler de bal met opzet tegen een tegenstander trapt om de bal nogmaals te kunnen spelen (tactische wijze) is dat geen overtreding en gaat het spel gewoon door.